zaterdag 31 juli 2010

Teleurstelling

Teleurstelling

Het leven is mooi !!!
We leven in een rijk land, vol mooie, leuke, creatieve, inspirerende mensen
Natuurlijk kleven er ook een paar minder positieve kanten aan het leven, maar toch ... over het geheel genomen, generaliserend is het leven voor onze bevolking mooi

Er is een enkeling die een onverkoopbaar huis heeft, met een tophypotheek, er is een enkeling die meer dan een keer gescheiden is en driedubbel alimentatie moet betalen, er is een enkeling die hard moet werken in loondienst om voldoende inkomen te genereren, hoewel zijn passies elders liggen
Maar over het algemeen heeft iedereen het goed !!!

Teleurstelling gaat altijd over
de dingen die we niet hebben gedaan
het plezier dat we niet hebben genoten
de doelen die we niet hebben gehaald
de verkeerde paden die we hebben gekozen
het verlies dat we hebben geleden
Teleurstelling is over het algemeen een in het verleden veroorzaakte toestand, waarin een individu zich vastgeketend voelt en zich onvoldoende realiseert dat het veroorzakende verleden onveranderbaar is ... geschiedenisboeken herschrijven heeft geen zin, tenzij je gelooft in het verhaal van “back to the future”

Teleurstelling veroorzaakt depressie, tenzij we ons realiseren
wat we allemaal wèl hebben gedaan
hoeveel en vooral welk plezier we wèl hebben genoten
welke doelen we wèl hebben gehaald
de mooie paden die we hebben bewandeld
hoeveel nieuwe uitdagingen we nog kunnen oppakken
en hoeveel geluk de toekomst nog in petto heeft voor ons
Het toekomstboek moet nog geschreven worden en wie gelooft in zichzelf, in de medemens en in de omgeving, kan dat boek zelf vorm en misschien zelfs gestalte geven

Dat, het zelf gestalte geven aan de eigen toekomst en te genieten van alle moois dat er wel is, is soms makkelijker gezegd dan gedaan ... zeg ik uit eigen ervaring
Ik ken mijn toekomstboek, maar zit nog teveel gevangen in mijn geschiedenisboek of althans in de gevolgen van mijn verleden, omringd door teleurstellingen die zijn veroorzaakt doordat ik
niet deed wat ik werkelijk wilde
geen ruimte nam om te genieten van alle plezier om me heen
geen genoegen naam met behaalde doelen en resultaten
keuzes maakte om anderen dan mijzelf te plezieren
verloren heb, wat ik met passie en inzet om mij heen had verzameld
omdat
het nooit genoeg leek te zijn, wie ik was en wat ik deed

Tweehonderd tweeëntwintig

Tweehonderd tweeëntwintig

Alles in deze blog berust op waarheid, geen enkele overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval

Laten we haar L noemen, uit te spreken als Elle, hoewel ze geen woord buitenlands spreekt, enkel Fries. Ze heeft twaalf banen gehad en dertien ongelukken, lijdt onder een ontbonden huwelijk, heeft geen contact meer met haar kind, heeft een eigen onderneming, die meer kost dan oplevert. Ze woont in een te grote huurwoning, haar onderhuurders vertrekken zonder uitzondering binnen enkele weken, zonder te betalen en spoorloos

L zelf is nu ook spoorloos
Ik kende haar via Twitter, we hadden telefoonnummers en mailadressen uitgewiseld. ´s Nachts had ik vaak lange gesprekken met haar, over recht en onrecht, over kunst en literatuur, over politiek en samenleving, over de ondragelijke leegte van mijn leven, over haar toekomstdromen en over het leven van de stad A, waar zij woonde en niemand kende

We hadden zelfs een afspraak gemaakt, een afspraak om elkaar te ontmoeten. In A, op de tweede vrijdag van de maand juni, om bij het genot van een lekker maal in Restaurant Oblomov in real life gedachten uit te wisselen over de zaken die ons werkelijk bezighouden

In het weekeinde voor die vrijdag belde L me op ... onverwacht, midden op de dag
“Mag ik je iets vragen?”
Natuurlijk mag zij mij iets vragen! En ik heb al een vermoeden wat ze wil vragen. Ze heeft geld nodig, staat rood, kan niet meer pinnen, heeft eten nodig, voor zichzelf en haar huisdieren
Ik vraag L hoeveel nodig heeft, en voor hoelang
“Over een paar weken worden mijn facturen betaald, maar ik moet nú Ziggo betalen, NUON betalen, boodschappen doen. Ik heb wel een paar honderd euro nodig. En ik betaal over een paar weken terug, met rente!”
Na twee scheidingen en drie kinderen, met veel alimentatieverplichtingen, met de lasten van een tophypotheek op een onverkoopbaar huis, moet ik spaarzaam leven, om het hoofd boven het water te houden. Maar ik heb wel een beetje gespaard, om in juli/augustus iets leuks met de kinderen te gaan doen; ze hebben dan immers zomervakantie. Als ik begin juli het geld terug krijg, kan ik wel even €222,22 spaargeld missen. Dus maak ik dat bedrag aan L over
“Duizend maal dank! Eeuwige roem zal jouw deel zijn!”

Op donderdag, de dag voor we elkaar zouden ontmoeten, meldt L dat het misschien geen goed idee is om op vrijdag te gaan eten in Restaurant Oblomov. Ze voelt zich ziek, heeft overgegeven en last van diarree
Een gevoel vol wantrouwen bekruipt mij. Wil zij mij wel ontmoeten? Is alle contact (de tweets, de mails, de telefoongesprekken) slechts bedoeld geweest om mij geld afhandig te maken?
Ik zeg de tafelreservering bij Oblomov af en schrijf een mail aan L
Ik schrijf over uitstel of afstel, ik schrijf over het feit dat ik die €222,22 wel omstreeks 1 juli terug wens te ontvangen, vanwege mijn vakantie met mijn kinderen
In de reactie die ik ontvang, lees ik de meest ernstige verwensingen en bedreigingen. Ik ben verbaasd en uit het veld geslagen
Sinds 30 juni check ik dagelijks mijn bankrekening, mijn afschrijvingen en bijschrijvingen, zie ik dagelijks hoeveel inkomen zinloos verdwijnt naar hypotheekverstrekkers, hoeveel inkomen doorgesluisd wordt vanwege alimentatie aan kinderen met wie ik veel te weinig samen ben, zie ik zelfs geen deel van die €222,22 terugvloeien op mijn bankrekening
Sinds diezelfde 30 juni schrijf ik ook wekelijks een mail aan L, om haar te herinneren aan haar belofte mij terug te betalen; maar ik krijg geen enkele reactie, niet op Twitter en niet per mail

Ik schaam me, schaam me omdat ik te goed van vertrouwen ben geweest, omdat ik ben uitgegaan van het positieve in de mens, omdat ik in een valkuil ben gestapt door een paar honderd euro uit te lenen
De geplande week, met mijn drie kinderen, heb ik moeten afzeggen; ik heb er even geen geld voor, ik moet eerst weer sparen ... gelukkig hebben die drie lieverds wel leuke vakantieweken met hun moeders beleefd

maandag 19 juli 2010

Het doden van mannelijke ego´s

Uit: Schuldig - Paul Zorning (c) 2010

Hester´s hersentumor bleek terminaal, bevrijdde hem, verloste hem van haar, haar voortdurende aanwezigheid, haar opdringerigheid, haar betweterig gedrag jegens hem (dat nergens op gestoeld was, want hij was veel slimmer, had meer kennis dan zij; sterker nog, hij had haar betrekkelijk dom gevonden en hij had bovendien slechts zelden iemand ontmoet die zich enigzins met hem had kunnen meten).
Vrouwen verstaan, bijna zonder enige uitzondering de kunst om mannelijke ego´s te doden. Ze ontnemen in het leven van alledag, in het samenleven onder één dak hun mannen alle kans om te winnen.
Vrouwen koken voor de man, ze maken de bedden op, ze stoffen en ze zuigen, ze doen de was, ze strijken zijn overhemden en de doen de boodschappen. Ze doen dat niet, vooral niet omdat zij al dat huishoudelijk gedoe leuk vinden, maar omdat hij, hun man, de vaardigheden ontbeert om zulk eenvoudig werk naar behoren uit te voeren.
En hij, hun man, moet veelvuldig, onophoudelijk horen hoe onbekwaam hij is, tot niets in staat; tot hij zich op enig moment overgeeft en, volledig geïndoctrineerd, haar commando´s zonder enig protest uitvoert, keurig in het gelid naast haar door winkelstraten slentert om te shoppen, doelloos te winkelen en teveel geld uit te geven aan zaken die zij geen van beiden werkelijk nodig hebben, met háár boodschappenlijstje naar de supermarkt gaat (omdat hij steevast met het verkeerde maandverband en de verkeerde ontharingscrème thuiskwam), de door haar voorgesorteerde was doet (op iedere stapel ligt een briefje met wasvoorschriften, de temperatuur, het programma, het wasmiddel).
Strijken blijft zij zelf doen, omdat hij dat echt niet kan; net als het vouwen van de handdoeken. Handdoeken vouwen doen alle vrouwen anders, ze doen het op de manier zoals hun moeder het hen geleerd heeft en die vooral afhankelijk was en is van de maten van de kast, waarin de handdoeken moeten worden opgeborgen.
Strijken doet zij óók om hem het gevoel te geven dat hij echt niet zonder haar kan. Zoals ze ook de keuken en het fornuis nog een keer schoonmaakt, hetgeen hij al had gedaan na het bereiden van een geweldige maaltijd, maar niet goed genoeg; nooit goed genoeg.
Nienke, de vrouw met wie Zorning een relatie had gehad na zijn huwelijk met Stella, was de ergste aller vrouwen: een weerzinwekkende sublimatie van het ergerlijke der vrouwheid.
Tijdens hun vakantie in de Dominicaanse Republiekwees Zornig op een palm die het zonlicht op een wonderschone wijze weerkaatste, gloeiend groen.
“Je mag niet wijzen,” bitste ze, “dat is onfatsoenlijk.”
Vrouwen huren hun moeder in als stand-in, om lieve woordjes te zeggen, om complimenten uit te delen, hun bewondering in alle mogelijke toonaarden uit te spreken, om hun schoonzoon te paaien, hem aan de schoonfamilie te hechten, met lijm waarbij zelfs de sterkste krachtlijm volledig in het niet valt.
Schoonmoeders als placebo: alle niet ontwrichte huwelijken, alle huwelijke die niet in een verdrietige, pijnlijke, kostbare scheiding zijn ontbonden, bewijzen dat het placebo in hetzelfde effect heeft geresulteerd als het werkelijke medicijn zou hebben gedaan.
En schoonmoeder heeft alle tijd om haar stand-in functie te vervullen, want schoonpa loopt al sinds mensenheugenis in het gelid.
Zornig´s eigen vader had ook in het gelid gelopen, inmiddels meer dan zestig jaar. Zijn schoondochters vonden hem stuk voor stuk een aardige man, een lieve man en vooral een zielige man. Een mening die nauwelijks afweek van wat die schoondochters over hun eigen vader dachten. Het is niet onmogelijk dat mannen gedoemd zijn om door hun dochters en schoondochters als zielige, oude mannen te worden bestempeld.
Zornig vond zijn vader ook zielig, hij vond dat al veertig jaar. Hij herinnerde zich dat hij ooit, lang geleden een gesprek daarover begon met zijn oudere zus. Het was op een zaterdag, wist Zornig; hij droeg zijn groene welpenuniform, zijn scouting-tenue en had juist enkele sigaretten ontvreemd uit de dressoirlade: Arsenal van zijn moeder, Cabellero van zijn vader.
“Waarom blijven papa en mama eigenlijk bij elkaar?” vroeg Zornig aan zijn vijf-en-een half jaar oudere en evenzoveel dommere zus.
“Omdat het zo hoort. Je trouwt om bij elkaar te blijven.”
“Maar ze zijn helemaal niet gelukkig. Ze praten niet met elkaar. Ze praten trouwens ook niet met ons!”
“O, dat komt nog wel, broertje. Met mij praten ze heel veel en ik weet zeker dat ze ook heel veel met elkaar praten; alleen hoor jij dat niet!”
“Ik hóór ze wel, maar ze zeggen niets; niets behalve over het weer, over de buren, over dat het brood van bakkerij Venenkamp toch lekkerder is en over andere onbetekenende zaken. En verder maken ze ruzie over van alles, zoals dat de tafel niet goed gedekt is. Papa legt het bestek altijd verkeerd neer, omdat hij linkshandig is. Het heeft geen zin om daarover iedere dag opnieuw ruzie te maken. Ik ga nooit trouwen. Ik weet ´t zeker!”
De toekomst die inmiddels alweer geschiedenis is, zou uitwijzen dat Zornig, die het meestal wel bij het rechte eind had, er met deze voorspelling volledig naast zat.
Zornig stapte op zijn fiets, de sigaretten veilig in een sigarettenkoker in zijn broekzak, op weg naar de padvindersbijeenkomst. Het zou een van de laatste bijeenkomsten zijn, waaraan hij zou deelnemen.

zaterdag 17 juli 2010

De geloofwaardigheid van de overheid

Maart 2010

De muur was niet alleen de muur. Achter de muur lag de Todesstreifen met greppels om auto’s tegen te houden, met mijnenvelden en met Selbstschußanlagen, de Kolonnenweg voor de voertuigen van de grenspolitie en zelfs anti-tank blokkades.
Drüben, jenseitz der Mauer gab es die sozialistiche Freiheit … voor Ien van den Heuvel, voor Paul Rosenmuller, voor Jan Marijnissen en al die andere zogenaamde fatsoensrakkers.
De burger, het volk werd gevangen gehouden en geknecht.

(Uit: Verscheurd, Paul Zornig, 2005)

Wanneer we spreken over de overheid, is het van belang om goed te definiëren wat dan die overheid is ...
Spreken we over de regering (of b&w), het parlement (of gemeenteraad) of de ambtenarij (of de mensen die ambtenaar zijn in uitvoerende instanties)?

Bij overheid denk ik niet aan de ambtenaren die het vuilnis ophalen, de agenten die onze steden en straten beveiligen, de docenten die leerlingen begeleiden, de mensen die werken in de zorg en andere uitvoerende ambtenaren en trendvolgers ... ofschoon deze bevolkingsgroep wel een niet te onderschatten machtsblok vormt

Mijn definitie van overheid zou zijn:
“de regering, in het zadel gehouden door een meerderheid in het parlement, ondersteund door departementaire ambtenaren”

Over die overheid heb ik wel een mening ...

De overheid is overwegend
- paternalistisch
- geld verslindend
- incestieus
en dat ga ik uitleggen

Hans van Mierlo is ons net ontvallen, maar hij was erg voor directe verkiezingen, burgemeesterverkiezingen, districten stelsel, een systeem waarin kiezers hun vertegenwoordigers kunnen aanspreken
Dat, het aanspreken van onze volksvertegenwoordigers, laat staan het aanspreken van ministers, is in het huidige systeem onmogelijk
Onze volksvertegenwoordigers vertegenwoordigen partijen, niet de mensen in het land
Partijen wier programma´s worden geschreven door bestuurders, door partij-bonzen, in de Haagse achterkamers, door mensen wier doel lijkt te zijn macht te hebben, te besturen en slechts zelden werkelijk geld verdiend hebben
We hebben regeringen die bestaan uit partijprominenten, die niet gehinderd door enig gebrek aan kennis van zaken, geacht worden beleid te ontwikkelen ... als enkel voorbeeld noem ik de ministers van OCW en hun departementen, die in de loop van de afgelopen 30 jaren er alles aan hebben gedaan om het onderwijs te verstrikken en te verstikken in de meest absurde regels en beleidswijzigingen ,,, om dat wanbeleid ben ik na 15 jaar ook UIT het onderwijs gestapt
Ik ervaar de overheid overwegend als arrogant, machtwellustig en parternalistisch
Ik mag, als het aan de overheid ligt, nu geen sigaret meer roken in een donkerbruine kroeg, straks geen BigMac meer eten, over een paar jaar waarschijnlijk ook geen Coca Cola meer drinken
De overheid beperkt iedere keuzevrijheid voor weldenkende burgers, met regels om uitwassen binnen de perken te houden, met regels waardoor de burger zich gevangen gaat voelen, alsof we in de DDR leven of in de USSR van voor 1989
Dat is ook niet raar, want de meerderheid van de ambtenaren stemt PvdA, SP, GL en dat zijn partijen die hun roots in Oost-Europa hebben, in het Oost-Europa van voor Gorbatchov en Andropov
Ik noem een voorbeeld: GL is ontstaan uit CPN, PSP, PPR, EVP, GL-leider Rosenmuller was hardline communist
Ik zwijg maar beter over het verleden van Jan Marijnissen (Mao-ist)
Politici, met name zij op links, hen die ik conservatief wens te noemen, draaien alle kanten op, enkel en alleen om MACHT te krijgen, niet voor het volk, wel voor de partij, enkel voor eigen belang
In essentie liegt de overheid het volk voor ... neem de hypotheekaftrek ... onze (?) overheid vertelt ons keer op keer hoeveel de overheid betaalt voor deze belastingregel, terwijl zij in feite zouden moeten zeggen dat ze minder geld binnen krijgen door deze regel
Als voorbeeld ... ik, ik betaal bakken vol belastingen en premie, ik betaal alimentatie, ik betaal hypotheek, ik betaal bijtelling voor de lease auto waarmee ik in de file sta & het enige dat de overheid wil, is mij zwaarder belasten vanwege mijn bruto salaris ,,, om om om hun kiezers te pleasen met leuke geschenken, en om daarmee meer stemmen te winnen

Nee, ik heb niets te melden over CDA, CU, SGP, PvdD ... maar ze zijn even tekenend voor verzuiling en eigenbelang als PvdA, GL en SP

Nee, ik durf niet te zeggen dat PVV verboden moet worden, hoewel ik (in tegenstelling tot hoe ik Pim Fortuyn percipieerde) ernstige afkeer heb jegens Wilders en zijn manier van doen

Vooralsnog denk ik dat de overheid geld wil halen, van mensen en bedrijven die werkelijk geld verdienen, om dat geld uit te geven aan eigen hobbies, om stemmen te winnen en daarmee zichzelf in het zadel te houden ...
... het top-voorbeeld daarvan is wel dhr Cohen die op kosten van wachtgeld partijleider van de PvdA speelt, nadat hij een onbetaalbare kuil onder Amsterdam heeft laten graven (lekker weg, voor iemand hem persoonlijk aanklaagt)

De overheid kenschetst zich
door gebrek aan respect voor mensen en ons regels op te leggen om ons in hun keurslijf te houden
door uitgeven van heel veel geld aan ministeries die waanzinnig veel geld besteden aan plannen en voorstellen waar geen mens op zit te wachten
door gebrek aan daadkracht, bij voorbeeld door 40 jaar te ontkennen dat allochtone landgenoten ofwel een plek moeten krijgen danwel naar hun thuisland moeten worden gestuurd
door voortdurend geld te willen halen bij mensen en bedrijven, waar werkelijk geld verdiend wordt, om (ik noem slechts een voorbeeld) 3 tv-zenders te bekostigen die helemaal bol staan van STER-reclame en onzinnige programma´s (boer zoekt vrouw) of linkse propaganda (DWDD, P&W, Buitenhof)

De overheid is voor mij volstrekt ongeloofwaardig

Nachtgedachten

April 2010

Wer reitet so spät
durch Nacht und Wind
Het is de ziel
die zijn mens achterna reist
in diens haastig bestaan


Mijn nachtgedachten ... tijdens nachten van een schrijver, de nachten van een alleenstaande man, de nachten zonder de kinderen waarvan ik vader ben, zonder de vrouwen met wie ik getrouwd was
Mijn nachten zijn vol gedachten, gevuld met denken, vaak creatief denken, soms beklemmende en bezorgde gedachten
Mijn nachtgedachten, ik zou niet zonder kunnen
Mijn nacht, kan vroeg beginnen, als de gordijnen dicht zijn, zelfs als het buiten dankzij de zomertijd nog licht is ... de nacht begint als buitengeluiden langzaam uitsterven, als ik plotseling weer wind hoor in plaats van autogeraas, lekker liggend, onder het dekbed, soms met de radio aan, om te luiteren naar verhalen en documentaires, tot ik me erger aan muziek die ik niet heb gekozen, behang om goedkoop de zendtijd te vullen
In stilte en rust, kan het denken beginnen, soms een hele nacht lang
Denken ... de nacht kan pijnlijk zijn en stress veroorzaken, als het denken wordt bepaald door zorgen over kinderen, die niet bij mij zijn, aan wie ik liefde zou willen geven, voor wie ik met liefde zou willen zorgen; als het denken bepaald wordt door hypotheekschulden en alimentatieverplichtingen, door een huis dat inmiddels onverkoopbaar blijkt te zijn; als denken bepaald wordt door pijn en verdriet uit het verleden, met gedachten aan hoe alles anders had kunnen gaan, moeten gaan
Denken ... de nacht kan anstig zijn, zoals voor het kind dat ik was in 1962
‘s Avonds kan ik vaak niet slapen. Vanachter het gordijn kijk ik dan naar buiten over het verlaten spoorwegemplacement. De laatste personentreinen naar het westen zijn allang vertrokken. In het oosten is de nacht het donkerst. Vanuit het zijraam zie ik in de verte de laatste straatlantaarn aan de rand van het dorp. Bij die lantaarn begint de verharde weg naar Duitsland en van daar zullen de Russen ons dorp binnentrekken bij hun verovering van ons land. Urenlang tuur ik in de verte, wachtend op het geluid van naderende tanks of overvliegende bommenwerpers
((Uit: VERSCHEURD – Paul Zornig, 2005))
In de nacht, als er dan toch een muziekje gedraaid moet worden, dan is er maar één nummer om de nacht mee te openen ..
Stil in Amsterdam / Ramses Shaffy
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
-
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam

Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand tegenkwam
In de nacht kan ik denken, ontwerpen, een schilderij opzetten of een muziekstuk creëren
Mijn eerste boek is bedacht tijdens een wandeling en uitgewerkt in lange nachten, nachten met de ogen dicht, maar de hersens werkend, op volle toeren
Daar is de nacht goed voor, om ongestoord door wie of wat dan ook te schilderen met woorden en met zinnen, te componeren zonder geluid te maken en de wereld in teksten te vatten
Het typewerk komt later wel, daar zijn de avonden voor, als de dag nog worstelt met gebeurtenissen, met lief en leed, als de dag geen einde wenst te maken aan de zonsondergang, sissend in de zee, in een wolk van bankroet uit IJsland; preluderend op de nacht
In de nacht moet ik denken, omdat er geen andere momenten zijn om echt te denken, omdat ik gisteren te druk was met alles wat nodig moest, omdat morgen niet anders zal zijn dan gisteren, en overmorgen is eergisteren
Als ik niet uitkijk, niet oppas, dan wordt er voor mij gedacht, over werk dat onafgerond op het bureau ligt, over werk dat gedaan moet worden in te weinig tijd en zonder duidelijk plan; angstige gedachten die het denken overwoekeren. Dan kan de nacht een strijd inluiden, in plaats van tijd aan mij schenken
Maar in de nacht ben ik geen loonslaaf, geen schuldenaar, geen schuldige, geen slachtoffer
De nacht is tijd! Althans, zo hoort het te zijn, dat de nacht mij tijd geeft, tijd die alleen voor mij is, van mij is, om te zijn wie ik ben ...
Zijn wie ik ben, stralend in absoluut donker & werkelijk levend
Later in de nacht, als er dan toch nog een muziekje gedraaid moet worden, dan is er maar één nummer om de nacht mee af te sluiten ..
Ochtend in de stad / Herman van Veen
Licht gaat branden achter sommige gordijnen
hier en daar een mens op straat ietwat verwaaid
rokershoest weerklinkt alom lantarens kwijnen
als er hier een haan was had-ie al gekraaid.
-
Mensen overwegen om in bed te blijven
zien er toch maar weer vanaf uit goed fatsoen
en een oude man wordt wakker met een stijve
maar heeft niemand om een vluggertje mee te doen.
-
Ergens laat zich al de helse toeter horen
van een matineuze heer in het verkeer
achter grote gele vensters van kantoren
zijn de werksters met hun emmers in de weer.
-
En wie in zijn diepste nachtelijke dromen
is gezworven naar de bron van zijn bestaan
mag zo dadelijk weer op het matje komen
aangezien hij een vergissing heeft begaan.
-
Net als vroeger is er weer een dag geboren
maar de jaren van verwondering zijn voorbij
en ook zijn er hier geen vogels meer te horen
behalve twee minuten op de vierde mei.
-
Ach, het leven nam ons allen op de korrel
en de dood genaakt met klapperend gebit
wij verlangen naar het uur dat de eerste borrel
goed en wel weer achter onze kiezen zit.

En dan wordt het ochtend, kriekt de dag, schemert de ochtend, tjilpen de vogels
Vrouwen en mannen worden wakker, zien uit op wat de dag gaat brengen, terwijl ik treurig afscheid neem van alle moois dat de nacht mij heeft gegeven

dinsdag 13 juli 2010

Elmer de olifant & Harry Mulisch

(Uit: VERSCHEURD, 2005)

Zijn oog viel op Elmer de olifant, een vrolijk en kleurrijk kinderboek, een voorleesboek in de etalage van de boekhandel. Hij zou graag hebben kunnen schrijven en tekenen, was liever auteur geworden of illustrator dan Competence Development Manager in een van ‘s werelds grootste ICT-bedrijven.

Het laatste boek dat hij had gelezen was Siegfried, van Harry Mulisch. In die roman heeft hij naast twee fouten vooral veel inspiratie gevonden en (h)erkenning aangaande zijn eigen vage grenzen tussen fantasie en werkelijkheid. Toeval bestaat niet en dagdromen gaan drempelloos over in gedachte-experimenten: de onbedwingbare lust om te fantaseren, om in gedachten een andere werkelijkheid te scheppen en te beleven; een poging tot het verklaren van de realiteit en geen compensatie voor hetgeen hij tekort zou komen in de alledaagse werkelijkheid.
Meesterbrein, geen televisiequiz, maar het drama van een begaafde geest. Ideeën, gedachten, hersenspinsels, dagdromen, overpeinzingen, vragen en antwoorden schieten door het hoofd: een beeldenstorm, filmfragmenten van gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Er valt geen touw aan vast te knopen, elke ordening ontbreekt en vooralsnog lijkt het onmogelijk een verhaal uit deze kakofonie te componeren.
Zijn schijnbaar feilloze geheugen weerhield hem, heeft hem te vaak weerhouden van het maken van ogenschijnlijk zinloze aantekeningen, onbetekenende puzzelstukjes die veel later van pas hadden kunnen komen bij het samenstellen van het tafereel van zijn geschiedenis.
De toekomst was inmiddels begonnen, maar ook al leefde hij steeds meer in het heden, was de verleden tijd nog onvoltooid zolang sporen uit dat verleden als plotseling onweer de kop op konden steken en stralend zonlicht tijdelijk verduisteren.
Hij las graag, maar veel te weinig. En als hij schreef, schreef hij om het verleden te verklaren, de pijn en de boosheid te verwerken en van zich af te schudden: schrijven om schoongewassen de toekomst tegemoet te kunnen treden. De puzzelstukjesverzamelaar: wat, waar, wanneer, waarom en hoe?
Hij had de roman Siegfried nagenoeg precies een half jaar eerder gelezen, op 10 maart 2001. En hij had nauwkeurig gelezen.
Op bladzijde 76 las hij:
‘In de hoek stond een archaïsch televisietoestel, waarop zij hem gisteren hadden gezien; er op een ingelijste .....’
Gisteren ????
En op bladzijde 117:
‘Herter stond op en reikte haar de hand, waarop zij hem een paar seconden verbaasd bleef aankijken, alsof hij de laatste was die zij had verwacht. ‘Heb ik u gisteren niet op de televisie gezien?’ Het was Herter meteen duidelijk, dat hij ter plekke .....’
Gisteren ????
De televisie-uitzending was niet één maar twee avonden geleden, dus ware eergisteren meer op zijn plek geweest!
Hij wilde geen beterweter zijn; voorlopig had hij nog geen bladzijde zonder fouten geschreven, laat staan bladzijden met enig literair gehalte. Toch schreef hij een e-mail naar de uitgeverij om op de twee aangehaalde passages te wijzen: was het gisteren, of was het eergisteren?!
En hij kreeg nog antwoord ook:
Geachte heer,
U heeft gelijk. Het moet zijn eergisteren. Dit is in de tweede druk al hersteld,
Met dank en vriendelijke groet,
Suzanne Holtzer

Hij liet het boekje in kleurig papier inpakken en versieren met een rode strik. Het werd zo een mooi cadeau om mee thuis te komen.

het nieuwe voetbal (2001)

11 september 2001, 11 uur 21

In de etalage van de Megapool keek hij enkele minuten naar Studio Sport fragmenten van het afgelopen weekeinde op een groot plasmascherm. Voetbal!
Er vliegen zwaluwen. Snel gaan liggen en hevig kermen! Au!!!
Waarom worden die zwaluwen niet gewoon afgeschoten?
Na negentig minuten speeltijd en soms ook nog een verlenging van dertig minuten is het nog steeds NUL-NUL. Effectief hebben de mannen hooguit 50 minuten gebald (de verlenging meegerekend) en er was geen zak aan. Verveling ... het gras is groen, de strepen zijn wit en de mannen met zakken vol euro’s geven verkeerde passes.
De helft van de tijd die een voetbalwedstrijd duurt, ligt er een speler kermend op de grond (ondertussen gebarend dat de tegenstander gele en rode kaarten moet krijgen). Die speler is weliswaar door niemand geraakt, maar hij dacht dat hij geraakt had kunnen worden en ook als hij niet geraakt zou worden, zou een vrije trap en alle tijdwinst mooi meegenomen zijn. En de gele kaart voor de tegenstander is echte winst.
Het enige wat leuk is aan voetbal is de bankrekening van de vedetten en het commentaar van Johan Cruijff.
Hij zou wel weer eens een echte voetbal wedstrijd willen zien: spannend, met mooie bewegingen en mooie combinaties.
Helaas laten de belangen van FIFA, UEFA en televisiekanalen het niet toe dat er wedstrijden verloren worden en dus spelen we met zijn allen op de NUL-NUL. De enige spanning van een voetbalwedstrijd is de beslissing van de scheidsrechter en zijn helpers. Onderkent hij de Schwalbe of geeft hij een kaart aan de verdediger die keurig de bal speelde en de duikelende aanvaller nooit geraakt heeft (de vertraagde herhaling op televisie geeft de scheidsrechter telkenmale ongelijk)? Het was geen buitenspel, maar er werd gevlagd en dus gefloten ... de bal werd nog wel in het doel gekopt en de commentator (die niets van sport begrijpt, anders was hij immers geen commentator geworden) rept van een afgekeurd doelpunt. Wie vlagt, wanneer en waarom? En waarom zou je zo’n vlagsignaal serieus nemen?
Hij wil weer voetbal zien en daarom moeten de regels drastisch veranderd worden.
Er komen 4 grensrechters en 2 scheidsrechters en 1 tijdwaarnemer.
Terugspelen op de keeper dient uitgebannen te worden en derhalve dient de keeper als zodanig afgeschaft te worden. Een voetbalteam is dus voortaan een tiental in plaats van een elftal.
Geklaag over het al dan niet vlaggen en fluiten voor het zogenaamde buitenspel is verleden tijd zodra we de buitenspelregel hebben afgeschaft.
De speler die kermend van de pijn ter aarde stort en verzorging behoeft, dient gewisseld te worden door een verse kracht, mag niet meer terugkeren op het veld en krijgt een spelverbod (herstelperiode) voor twee wedstrijden in het betreffende toernooi, cq de betreffende competitie.
Iedere speler die spreekt tegen de scheidsrechter (ook al is het liefkozend) krijgt een rode kaart, dient het veld en het stadion te verlaten en krijgt een schorsing van 12 maanden.
De wedstrijd duurt voortaan in plaats van 2 x 45 minuten achteruitleunen, 2 x 30 minuten werkelijke speeltijd. Het doel wordt 2 meter breder en 1 meter hoger. Er zijn naast het opgestelde tiental ook tien reserves en er mag voortdurend gewisseld worden, conform de regels die bijvoorbeeld bij het ijshockey gelden.
Shirtreclame wordt verboden, alle spelers spelen in het wit en het basissalaris bestaat uit een minimuminkomen. Voor elk gemaakt doelpunt krijgen alle spelers in het team een bonus en na elk verlies of gelijkspel betaalt iedere speler van het niet-winnende team een mooi bedrag aan een nader te bepalen goed doel.
Voetbal wordt dan vast leuker!

Toen ik nog leuk (bezig) was ....


Toen ik nog leuk was, maar al wel lang nadat mijn moeder mij zodanig benoemde, ontmoette ik haar, die niet voor niets Dorothea heet. Zij ging haar weg & ik de mijne. Wat overbleef, is niet meer dan een leuk plaatje

de nieuwe samenleving (september 2009)

uitleg
nieuw in onze samenleving is dat, dat als je 100 vrouwen verkracht en onderdrukt en misbruikt en verkocht hebt, je een weekje verlof uit hechtenis krijgt om een babykamer te schilderen, voor een baby die je verwekt hebt bij een vrouw die je eerst zelf hebt verkracht, daarna door een paar vrienden en daarna door tien klanten hebt laten gebruiken voor goed geld.
nee, ik veroordeel niets, ik stel voor om 20 praatgroepen in het leven te roepen die plannen moeten ontwikkelen om onderzoek te doen naar de vraag of en hoe we, in onze westerse samenleving, een standpunt moeten innemen, waarna onze achterkleinkinderen een oordeel over de gebakken peren kunnen vellen.
je zal maar moeder zijn van een verkrachte dochter.
je zal maar een vrouw zijn.
de woordvoerder van het ministerie van justitie verklaarde met betrekking tot het verlof-beleid dat natuurlijk geen verschil gemaakt mocht worden tussen gedetineerden van allochtone en gedetineeerden van autochtone afkomst. dat ook een vrouwenverkrachter en vrouwenhandelaar van Turkse afkomst recht heeft op verlof, als er een babykamer geschilderd moet worden.
mijn vriend Frits heeft onlangs 3 dagen gezeten, omdat hij (ook na herhaaldelijke aanmaningen) een boete vanwege een verkeersoverttreding in Capelle aan de IJssel niet had betaald. mijn vriend Frits is van zijn lang zal zijn leven nog nooit in Capelle aan de IJssel geweest, maar de ambtenaar die het kenteken van de door-rood-licht-foto moest overtypen, verwisselde de letters van het kenteken.
Frits zijn vrouw beviel van hun tweede kind, terwijl Frits in hechtenis zat. het kind was gezond, maar overleed tijdens de bevalling, door een medische fout.
er was geen woordvoerder van justitie om uit te leggen dat een ambtenaar een fout had gemaakt, dat een verloskundige een fout had gemaakt, dat Frits geen verlof kreeg toen zijn vrouw beviel en hun kind stierf.

Zondagmiddagstemming (oktober, 1979)

Zondagmiddagstemming (oktober, 1979)

tranen
traag rollen zij
over mijn wangen
een huivering
trekt door mijn lichaam
een schok
de brok in mijn keel
en daarna
meer tranen
als regendruppels
langs het behang
verwateren zij het motief
glijden zij omlaag
en druipen dan
van mijn wangen
op het papier

übersetzung

tränen
langsam rollen tränen
über meine backen
ein schauer
überläuft mich
eine erschütterung
die kehle wie zugeschnürt
und dann
mehr noch mehr tränen
wie regentropfen
die tapete entlang
verwisschen sie das motiv
gleiten sie hinunter
und tröpfeln dann
von meinem backen
auf das papier

Alleen zwart geld is echt

Alleen zwart geld is echt
21 feb 2009, 22:15
Ik heb onlangs een terras in mijn achtertuin laten aanleggen. Ik was in eerste instantie nogal geschrokken van de offerte, €1400,= voor die paar m² was veel meer dan ik had verwacht. Maar de stratenmaker wist mij gerust te stellen. Als ik geen papieren rekening nodig had, als ik zwart wilde betalen, dan kon hij de klus wel voor €650,= klaren. Dan zou hij er zelf ook meer aan overhouden, voegde hij er nog aan toe.
Dus terwijl het terras werd aangewalst, reed ik naar de bank (toen nog ABN-AMRO, of was het al Fortis, of weer ABN-AMRO) om daar €650,= in cash op te nemen.
Het voelde raar, zoveel geld op zak. Ik heb eigenlijk nooit meer dan een paar tientjes op zak en wat kleingeld, voor het geval ik een automaat tegenkom die nog niet op chip of pin werkt.
Een uur later was ik al die euro-flappen alweer kwijt. De stratenmaker telde het niet eens na. Kennelijk vertouwde hij klanten die hem zwart betaalden.

De volgende dag lagen er twee brieven op mijn deurmat. De ene brief was van mijn pensioenfonds, met de mededeling dat de waarde-opbouw van door twee scheidingen toch al gehavende pensioen dankzij de kredietcrisis nog verder was geslonken, dat ik zo spoedig mogelijk een ton, beter twee ton moest bijstorten om althans een deel van het pensioengat op te vullen. De andere brief was van mijn hypotheekverstrekker, Fortis/voorheen Stad Rotterdam/sponsor van het ooit legendarische Feyenoord, met de mededeling dat de door mij ingelegde en in beleggingen geïnvesteerde bedragen als verloren moeten worden beschouwd ten gevolge van de kredietcrisis, dat ik er verstandig aan zou doen elders geld vrij te maken en bij te storten, om te voorkomen dat ik na een eventuele verkoop van het huis met een onoverbrugbare restschuld zou blijven zitten.
Ik logde in op de website van mijn bank, bekeek mijn saldi. Duizenden euro´s in het rood, meer dan een bruto-maandsalaris. Mijn salaris was net gestort, maar de hypotheekrente, de hypotheekverzekering, de stortingen in het inmiddels waardeloze hypotheekbeleggingsfonds en de €1300,= alimentatie waren net afgeschreven.
Op de website van de Aldi bekeek ik de aanbiedingen voor de komende week ... Blik erwtensoep van €0,69, hutspot met worst voor weinig; het zou wel weer aardappelensoep worden, zelfgemaakt en met een homp brood.

Gisteren kwam ik die stratenmaker tegen, bij de Aldi. Hij kocht er zalm en wijn, diepvries kogelbiefstuk en verse tonijnsalade; die zijn er goed, wist ik uit betere tijden. De ambachtsman betaalde met contante euro´s, terwijl ik mijn zak aardappelen en de zak met winterwortelen moest pinnen. Mijn portemonnee was leeg, op het muntje voor en supermarktkar na.
"Weet je wat het is," zei de man op het parkeerterrein voor de Aldi, "geld bestaat niet meer!"
Ik sjokte naar huis, met de zakken aardappelen en wortelen en dacht na over wat die stratenmaker had gezegd.
VERDOMME, hij heeft gelijk.
Ondernemers lenen geld om een bedrijf uit de grond te stampen, of om inversteringen te doen om een bestaande onderneming uit te breiden. Geld lenen is misschien niet (meer) de juiste omschrijving ... er wordt een tegoed bijgeschreven op een bankrekening. En van dat tegoed worden leveranciers en medewerkers betaald. Betaald is misschien niet (meer) de juiste omschrijving ... de leveranciers en de medewerkers krijgen geld bijgeschreven op hun bankrekening. Zo´n medewerker pint zijn boodschappen bij de Albert Heijn, hij betaalt niet, hij pint, waardoor er tegoed van zijn rekening wordt afgeschreven, bijgeschreven op de bankrekening van Ahold.
De bankmanager die die eerste lening heeft afgesloten krijgt een bonus, want banken verdienen aan de rente die wij en de lenende ondernemers aan de bank betalen.
De aandeelhouders van banken en supermarkten krijgen dividend uitbetaald, zolang de boeken er goed uitzien, zo gemanipuleerd zijn dat zij er goed uitzien. Die aandeelhouders zijn slim en beleggen hun verdiensten in goud of diamanten, kernenergie of windmolens, aardappelen of winterpenen. Ze beleggen vooral niet, vooral niet meer in banken.
Banken bestaan niet meer, zoals geld evenmin bestaat.
Vroeger (ja, ik ben oud, bejaard, nostalgisch) bewaarde de Nederlansche Bank voor alle Nederlandse guldens de tegenwaarde aan goud in haar kluizen. Tegenwoordig zijn banken, las ik, geldscheppende instanties geworden; wat zoveel wil zeggen dat als een bank in staat is (ergens?!) €1000 te lenen, de bank het recht heeft €4000 uit te lenen. Ik zie het al voor me ...
Bank AAB leent €1000 van bank ING, dan leent bank AAB €4000 aan ING, vervolgens leent bank AAB €16000 van bank ING en zo gaat dat door. 16000 wordt 64000 wordt 256000 wordt 1024000 wordt 4096000 wordt 16384000 ... wordt binnen korte tijd ... 1048576000, meer dan een miljard.
Van dat virtuele mijard worden onze salarissen betaald en het salaris van de boer die mijn aardappelen heeft geppot en gerooid. En met dat virtuele geld betalen we allemaal onze boodschappen.
Geen nood, totdat iemand, inmiddels een paar jaar geleden, zijn banktegoed in cash wilde opnemen (iets meer dan mijn €650) en die bank helemaal niet over geld bleek te beschikken ... de paniek sloeg toe!
Geen enkele bank bleek over geld te beschikken, het papiergeld dat in omloop is en van tijd tot tijd uit pinautomaten rolt, is nog geen procent van de vermogens die door banken worden beheerd; en dat papiergeld, dat geld is even waardeloos als het digitale tegoed op alle bankrekeningen.
Een jaar geleden zei onze minister van financiën nog dat de crisis die in Amerika woedde, ons niet zou raken ... nu voorspelt hij dat hij de werkelozen die binnenkort over straat slenteren geen uitkering kan betalen, omdat hij geen geld heeft. Het geld dat hij wel had, heeft hij gebruikt om de aandeelhouders van Fortis (Stad Rotterdam? ABNAMRO?) en ING uit te kopen.
Bij de post liggen brieven, van de Hypotheekverstrekker die geld wil, nu, van de Bank die wil dat ik mijn schuld aflos, nu, van de Deurwaarder die wil dat ik mijn achterstallige alimentatie betaal, nu.
Ik leen wel wat, bij een bank, ergens, op IJsland of zo.

Carpaccio & Chanel No 5

Carpaccio

Zornig had de kunst geleerd van Roberto Fiori, de Italiaanse chefkok van Restaurant Lute in de oude kruitfabriek vlak buiten Oudekerk aan de Amstel. Lute, een leuk restaurant met een geweldige keuken, vele Michelin-sterren waardig. Zornig had er vaker gegeten, zoals die keer met die stewardess van KLM, die geheel verstrikt was geraakt in een relatie met Hans. Hans die nota bene nog getrouwd was en een dubbelleven leidde. En later met Willem, een van de directeuren van ´s lands grootste detacheerder, om een nieuwe collega aan Zornig voor te stellen, in de hoop dat die man via Zornig meer zaken zou gaan doen.
Fiori had het voorgedaan, het kon met rundvlees, gerookte hammen en zelfs met een mousse van zalm. Voorwaarde was dat wat Fiori het materiaal noemde, goed ingevroren was. En verder was een scherp, gestaald, electrisch cirkel-mes onontbeerlijk. Het was de enige manier om het materiaal zo dun te snijden, dat je het carpaccio mocht noemen.
Zornig had gedaan wat Fiori had gezegd. Hij had de beste stukken ontbeend en gerookt boven een vuur van pijnboomhout, gemarineerd in een saus met dille en organo, de duurste olijfolie en een beetje mosterd. Het waren mooie hompen vlees, die hij na het marineren in de vriezer had gelegd.
Het cirkel-mes, waarmee we slagers in hun winkels plakjes broodbeleg zien snijden, stond nu in een extreme stand; dunner snijden was niet mogelijk.
Zornig sneed prachtig dunne plakjes van het diepgevroren vlees en legde ze op folie; niet meer dan één plakje op één stuk folie. Hij was er nog wel even mee bezig, er was genoeg voor een kerstdiner voor alle gasten van het Hilton.
Het grootste gedeelte van de nog steeds bevroren carpaccio legde hij weer in de vriezer, keurig in een doos. De plakjes die hij voor de maaltijd van vanavond nodig had, zette hij op een schaal in de koelkast, opdat het daar langzaam kon ontdooien.
Frank was een beetje een triest figuur. Hij had eindelijk na vele liefdes en een mislukt huwelijk de liefde van zijn leven gevonden: Heleen. Heleen was geweldig, prachtig, erudiet, intelligent, lief, warm, ze was een prinses, het mooiste dat een mens, een man kon overkomen. Ze waren zo gelukkig samen, Heleen en Frank, Frank en Heleen. Ze straalden, ze straalden samen, ze straalden ieder voor zich.
Op een dag had Heleen de trein naar Achterwolde genomen, naar Achterwolde om daar onderzoek te doen voor het manuscript van haar volgende roman “Dwaallicht”. Achterwolde, omdat haar ouders daar hadden gewoond, haar moeder er nog steeds in een dorp vlakbij Achterwolde woonde.
Heleen was nooit teruggekomen uit Achterwolde.
Ondanks de inzet van het complete rechercheteam van de politie van Gelderland-Oost, ondanks de zoektochten die in het Vragenderveen waren georganiseerd en ondanks de betrokkenheid van de lokale bevolking, werd Heleen noch haar eventuele stoffelijk overschot teruggevonden.
Op een dag had Frank contact gezocht met Zornig, Frank had hem gebeld.
“Jij kende Heleen toch! Jij las alles wat ze schreef, jij wist wat ze dacht!” had Frank in de telefoon geschreeuwd.
“Nou ja,” zei Zornig. “Ze heeft me weleens iets laten lezen, een paar teksten. Nu je het zegt, er was een tekst die over moord gaat, over ene Ben, een krankzinnige, die haar voicemail heeft ingesproken en haar de meest vreselijke dingen heeft aangekondigd.”
Frank wilde die teksten wel lezen en daarom had Zornig de verdrietige vriend van zijn schrijf-vriendin uitgenodigd om te komen eten. Na het eten zou Zornig printjes van alle mails, van alle tekstdocumenten laten lezen, die hij ooit van Heleen had gelezen.
Zornig hield van koken en was blij dat eriemand bij hem kwam eten.
Op het menu stonden carpaccio, salade met tonijn, zwijnbiefstuk met aardappelpurée en cranberriescompote.
Zornig zag hoe Frank smulde van eindelijk weer lekker eten, eindelijk eten met iemand met wie hij iets deelde, zijn verdriet kon delen.
Bij de koffie las Frank alle mails, alle documenten die Zornig in al die tijd van Heleen had ontvangen. Zornig was een nauwkeurig en opgeruimd mens. Hij had een map voor iedere internet-contact, een map waarin hij alle correspondentie bewaarde.
Frank was vele uren aan het lezen.
“Dus je was blij dat ze mij leerde kennen? Was je niet jaloers?” vroeg hij.
Zornig lachte innemend.
“Ik ben een Einzelgänger, dat weet ik, dat weten de mensen die mij kennen. Ik ben blij als andere mensen gelukkig zijn, als zij (zoals Heleen) een partner vinden. Hooguit heb ik wat moeite als ik, nadat zo´n nieuwe partner in beeld is gekomen, ineens niet meer lijk te bestaan. Maar ook daar pas ik welweer een mouw aan.”
Zornig schonk nog een glaasje sambuca in.
“Er staat helemaal niets in, in al die documenten, waaruit blijkt waarom Achterwolde gevaarlijk zou kunnen zijn geweest, gevaarlijk voor haar, voor Heleen!” zie Frank.
Zornig moest dat bevestigen. Hij had zelf alles tot iedere punt en komma nauwkeurig gelezen. Er was geen enkele aanwijzing.
Frank ging laat weg, te laat en met waarschijnlijk teveel drank in zijn lichaam. Hij moest nog helemaal terug naar huis, naar zijn dorp onder de rook van Amsterdam, hun dorp, het huis waar hij zo gelukkig met Heleen was geweest.
“Als dat maar goed gaat,” dacht Zornig nog.
Zornig liep naar de schuur, het tuinhuis achter in de tuin. Hij deed de deur van het slot, de deur open het licht aan. In de schuur stond nog een grote vrieskist. Er zat een hangslot op de vrieskist.
Zornig graaide naar de sleutelbos in zijn broekzak, deed het slot open, het deksel van de kist omhoog.
Daar lag het materiaal. Ze miste één been. En een hap van haar rug, maar dat laatste kon je niet zien.


Chanel No 5

Frank knielde en boog zich over het lijk. Het hoofd was er half afgehakt, lag in een grote plas bloed. Hij keek op zijn horloge, het was kort na acht uur.
Eerder die dag had ik Frank uit Oudekerk opgehaald en waren we samen naar Achterwolde gereden. Voor de zoveelste keer sinds Heleen, de vriendin van Frank, plotseling en spoorloos was verdwenen.
Achterwolde, het meest oostelijk gelegen dorp in Nederland, het dorp waar ik geboren en getogen ben, het dorp waar ik met weerzin aan terug denk, vanwege de bekrompenheid, het boerse, het achterlijke. De tijd lijkt in Achterwolde te hebben stilgestaan, de klok tikt er nog net zo langzaam als in de jaren vijftig, de kredietcrisis zal nooit in dat dorp toeslaan, zolang de Duitsers er iedere zaterdag de supermarkten leegkopen en er maar een paar keer per dag een trein naar de boze buitenwereld vertrekt.
Frank was verliefd geweest op Heleen, dodelijk verliefd. Hij was gek op haar geweest, hij had alles voor haar gedaan. Hij was nog steeds verliefd, hij was nog steeds gek op haar, hij zou zo graag alles voor haar doen. ´s Nachts dacht hij aan haar, schreef hij gedichten voor haar; slapen deed hij pas in de tweede helft van de nacht, als de vroegste werkers alweer gewekt werden door hun wekkers.
De laatste kilometers van onze tocht naar Achterwolde zaten we zwijgend naast elkaar. Mijn maag draaide zich om bij de gedachte aan doodgekookte bloemkool en glazige aardappelen met veel te vette jus. De warme maaltijd wordt er tussen de middag gegeten. Dat hoorde toen zo, dus hoort dat nog steeds zo. Suskind´s Parfum drong zich op in mijn gedachten. Geuren roepen herinneringen op. Zoals de geur van Chanel No 5 mij nog steeds herinnert aan die studente die mij in 1979 het hoofd op hol bracht, die ik nooit meer uit het diepste van mijn geheugen heb kunnen wissen, voor wie ik alles had willen doen.
Heleen had ook Chanel No 5 gedragen, toen ik haar voor het eerst ontmoette, bij de presentatie van haar eerste roman.
Ik parkeerde mijn auto op de parkeerplaats achter Hotel Stadt Münster, midden in het dorp.
“Koffie?” vroeg ik.
Op de tafeltjes in het restaurant liggen hoogpolige tafelkleedjes, kleine tapijtjes die ruiken naar stof en de as van sigaretten; nog steeds, ondanks het rookverbod.
“Ik wil naar het huis waar haar moeder heeft gewoond. Ik wil daar rondkijken, niet alleen buiten, ook binnen. Er moet daar iets zijn, iets wat zij zocht, iets wat mij een aanwijzing zal geven. Een aanwijzing waarom zij is verdwenen, waar zij is gebleven, wat er is gebeurd,” zei Frank.
Zwijgend roerde ik mijn suiker door de koffie, geurige koffie, van Hesselink. de lokale koffiebrander.
We liepen vanuit het centrum door de Ratumsestraat naar de Wilhelminastraat. Daar was het huis, een statig gepleisterd en witgeschilderd pand, met donkergroene kozijnen, de gordijnen gesloten alsof daarbinnen iets was dat het daglicht niet kon verdragen.
Het was middag, nog licht en Frank scheen niet het lef te hebben om de tuin in te gaan, om het huis heen te lopen, om te zien of we wellicht aan de achterzijde een raam vonden waar de gordijnen niet geheel gesloten waren, en waardoor we naar binnen zouden kunnen gluren.
“Later. Straks als het gaat schemeren, dan komen we terug.”
Zijn stem klonk onheilspellend, hees door zijn droge keel.
In de snackbar aan het einde van de straat, bestelden we frites en kroketten. De frites was te zout en de kroketten waren slap. Net als de bloemkool, dacht ik, ze kunnen hier ook niets goed bereiden.
In het schemerduister liepen we terug. Er hing een koude mist en mijn neus begon te lopen. Ik nam mijn zakdoek, ik snoot mijn neus.
“Wees toch stil,” beet Frank mij toe, alsof het verdacht was om wandelend over het trottoir de neus te snuiten.
Hij keek drie keer in het rond en liep vervolgens het tuinpad op. Ik volgde hem, nonchalant, wetend dat er niets te vinden zou zijn dat hem zou helpen het mysterie rondom de verdwijning van zijn vriendin op te lossen.
Ook aan de achterkant van het huis waren de gordijnen achter de vensters zorgvuldig gesloten.
Frank vloekte binnensmonds.
Ik bekeek hem, deze trieste figuur, met die intens verdrietige blik in de ogen.
Voor hij Heleen had ontmoet was hij Hollands welvaren geweest, gezond van lijf en leden, stralend en sterk. Daar was nu niets meer van over, hij was mager geworden en oogde grauw.
Dan had je maar met een wijde boog om haar heen moeten lopen, dacht ik voor de zoveelste keer.
Ik tilde de zinken vuilnis emmer, die naast de achterdeur stond, op en haalde er een sleutel onder vandaan.
“Hoe, hoe wist je dat daar ...,” stamelde Frank.
“Dit is Achterwolde, hier ligt bij iedereen een sleutel onder de vuilnisbak, of onder de mat, of op een andere meestal zeer voorspelbare verstopplek,” viel ik hem in de rede.
Ik deed de deur van het slot en we stapten naar binnen. Het rook er muf, ik rook nog steeds de resten van bloemkoolgeur die zo onlosmakelijk verbonden was aan mijn leven Achterwolde. Er was hier overduidelijk in geen tijden een raam open geweest, er was hier maandenlang niet gelucht.
Het was er aarde donker. Gelukkig hadden we beiden een zaklamp bij ons.
Frank liep door de kamer en suite, keek in alle hoeken, opende kasten en de laden van het dressoir. Hij graaide, in wilde haast, tussen papieren en snuisterijen.
Ondertussen rookte ik een sigaret en keek ik hem gelaten toe. Wat hij ook zocht, hij zou het niet vinden. Niet hier in dit huis.
We gingen de trap op, naar de eerste verdieping. Eén voor één doorzocht Frank de slaapkamers, terwijl ik de studeerkamer rondkeek. Aan de muur hingen allerlei herinneringen aan het vroegere Nederlandsch Indië. Onder andere wajangpoppen en maskers. Ik herinnerde me ineens weer dat Heleen mij ooit verteld had dat haar moeder in Indië was geboren, dat haar grootouders de nodige souveniers hadden meegenomen uit wat ooit een Nederlandse kolonie was.
Op het bureau stond een flesje Chanel No 5. Kennelijk was Heleen hier geweest en had ze dat flesje hier laten staan. Ik pakte het flesje, ontdeed het van de dop en verstoof een klein beetje van het parfum op mijn linkerpols.
Hoe bedwelmend lekker, dacht ik.
Ik hoorde Frank de kamer binnenkomen, ik keek niet om en ik zag dus niet hoe hij de kris die tussen de maskers hing, van de muur pakte. Ik genoot alleen maar van de betoverende geur van het parfum.
Frank stond vlak achter me en haalde verwoestend uit, als een tennisser met een dodelijke forhand, hakte hij in de zijkant van mijn nek, dwars door mijn halsslagader tot diep in het bot.
“Moordenaar, ik wist het!!!” was het laatste wat ik hoorde.
Ik stortte ter aarde en bloedde in rap tempo leeg.
Frank knielde en boog zich over het lijk. Het hoofd was er half afgehakt, lag in een grote plas bloed. Hij keek op zijn horloge, het was kort na acht uur.

Hoofdstuk uit SCHULDIG

Alles was wit ...
Zornig zag er bleek uit en moe. De afgelopen weken was hij snel achteruit gegaan, de pijn was toegenomen en de energie was uit zijn lichaam weggevloeid.
Hij keek om zich heen en zag hoe alles wit was. De muren, het plafond, de lakens en de dunne deken, de spijlen van het ledikant, de raamkozijnen en de opengeschoven gordijnen, de lucht en de sneeuw die daaruit omlaag dwarrelde, het vaasje zonder bloemen op het nachtkastje naast het bed, het nachtkastje zelf, de deur naar de gang, zijn pyjama.
Zelfs de iPod en de oortjes van die muziekspeler waren wit. Zornig luisterde naar the Sutherland Brothers & Quiver (Arms of Mary), the Eagles (Hotel California) en the Rolling Stones (Angie); drie keer hetzelfde accoordenschema en toch drie keer anders. Mannenstemmen! Zornig luisterde liever naar een zangeres, naar Madona, Amanda Marshall, Christina Aguilera, Anouk, Stevie Nicks, Amy McDonald, Nelly Fortado, Jerney Kaagman, Judy Tzuke, Tanita Tikaram, Neneh Cherry, No Doubt, the Cranberries, Mariska Veres, desnoods AbbA en als er dan mannen moesten zingen dan liever Pink Floyd, the Moody Blues of Sting. De muziek die hem het diepst had geraakt, was geschreven door Mike Oldfield en Robert Jan Stips.
God, muziek! Op enig moment had hij alle voorkeurzenders die muziek speelden uit het geheugen van zijn autoradio gewist en ´s nachts luisterde hij liever naar de zoveelste herhaling van een praatprogramma op BNR dan te worden gestoord door muziek op Radio-1, de nieuws en actualiteitenzender van onze publieke omroep, die meent op de meest onmogelijke momenten de meest weerzinwekkende muziek de ether te moeten vervuilen. Zornig kon niet meer luisteren naar de muziek waarvan hij zo had gehouden; kon niet meer luisteren omdat hij zonder uitzondering pijn in zijn hart kreeg en moest huilen, huilen van verdriet.
Zoals hij jaren eerder in bed met Nienke, een hotelbed in de Dominicaanse Republiek moest huilen om Hurt en om The Beautiful Goodbye. Nienke en Zornig stelden elkaar de verkeerde vragen, gaven de verkeerde antwoorden, verweten elkaar misschien wel onbedoeld allerlei zaken waardoor the point of no return op weg naar het afscheid werd gepasseerd. Zornig had haar nooit meer kunnen vergeten, zag haar voortdurend om hem heen en kwam voortdurend dingen tegen die hem aan haar herinnerden. Laatst nog bij de Blokker, toen hij koffiepad-bewaardoosje zag staan zoals zij die in huis had, zij die niet eens koffie dronk.
Zornig dacht haar bij zich, zittend op de rand van het bed. Maar hij kon niet naar haar kijken, hij was bang voor de tranen die zonder enige twijfel zouden komen, hij was bang voor de herinneringen aan de prachtige momenten in haar bed en in zijn toenmalige chalet in Huppelerduin, een buurtschap nabij Achterwolde.
When I see you now
I wonder how
I couldve watched you walk away
If I let you down
Please forgive me now
For that beautiful goodbye

Nou, zo mooi was dat afscheid niet geweest. Nienke en Zornig hadden er beide de nodige littekens aan overgehouden. Hij herinnerde zich de zinnen uit een van haar laatste mails, waarin ze schreef hoe ze iedere man die ze ontmoette met Zornig vergeleek en zo´n man dan tekort schoot in die vergelijking. En hij realiseerde dat de enige nachten waarin hij echt van seks had genoten, van lichamelijke liefde had genoten, de nachten met Nienke waren geweest.
Ze kwamen allemaal in zijn gedachten voorbij, Hester, Eva en Andrea, Erna en Stella, Patricia, Iris, Annerieke en Henriette, en al die anderen. Hester, die al zo jong was overleden. Erna en Stella, die ruzie stonden te maken in de hoek van de kamer, die elkaar de schuld gaven van wat er van hem was geworden; alsof het niet Zornig zelf was die schuldig was aan de chaos in zijn leven, aan de schade die hij had veroorzaakt en aan het verwoesten van alle mooie dromen.
De enige die hier, in deze kamer niet aan zijn bed kwam, was Moniek. In plaats daarvan had zij hem een sms gestuurd, het enige tastbare geluid dat Zornig deze dagen uit de echte wereld had mogen ontvangen.
De olijfboom slaat goed aan! Tim komt volgende week, na al die jaren! Ik hoop dat hij een paar weken blijft! De buurman is heel OK! Die heeft mij gisteren wijn gebracht en een ham! Sterkte! Hoop dat het allemaal goed komt! x, ME!
Moniek had haar droom wel waargemaakt. Ze was uit Amsterdam, uit Nederland vertrokken; ze had haar huisje in de Provence gekocht en woonde daar nu. Haar dochters woonden nog in Amsterdam, in de woning waar zij zolang samen met haar meiden had gewoond; de oudste studeerde psychologie, de jongste zat in het laatste jaar van het Barlaeus Gymnasium.
“Paul en Moniek”, dacht Zornig, “een mooi stel!”
Er kwam een in een wit schort geklede vrouw de kamer binnen. Ze was niet mooi, maar wel vriendelijk. Ze vertelde allerlei, ze sprak veel. Maar Zornig had zijn iPod-oortjes in, hoorde de Dire Straits (Calling Elvis) en kreeg niets mee van wat de vrouw vertelde. Hij vroeg zich niet eens af of het lekker zou zijn om met die vrouw te vrijen. Hij moest wel erg ziek zijn.
Een tweede vrouw kwam binnen, witte broek, wit jasje. Alles was wit. Nee, niet alles. Haar haren waren git-zwart, haar ogen waren donkerbruin. Voorheen zou Zornig´s aandacht onmiddellijk wakker zijn geworden, zou zijn hartslagfrequentie sprongsgewijs zijn opgelopen, had hij zich onmiddellijk voorgesteld hoe die vrouw er zonder die broek en dat jasje uit zou zien. Nu gebeurde er niets, met hem.
De vrouw die als tweede was binnengekomen, nam een injectiespuit uit de schaal die die ander vrouw keurig aanreikte. Ze vulde de spuit uit een of andere ampul, zette de injectienaald op de ader in de linkerarm van Zornig en spoot de spuit leeg ... het spul uit de ampul mengde zich met Zornig´s bloed.
Ineens zag hij kleuren, eerst rood en geel en oranje, figuren die door elkaar dansten, op de muziek van Ravel, de Bolero. De kleuren vergrijsden, verdwenen, maar er kwamen daarna andere kleuren voor in de plaats, lichtgroen en lichtblauw; Ravel werd ingeruild voor Musorgsky, gespeeld door Isaho Tomita.
Toen werd het donker, zwart, stil, doodstil.

Geiranger Fjorden

Zornig had twee zitplaatsen gereserveerd, voor de TGV van Brussel naar Marseille. Nu zat hij daar, bij het raam, en keek hij naar de eindeloze landschappen die als in een versneld afgespeelde film aan hem voorbij raasden. Het landschap leek te krimpen bij deze snelheid. Einstein zag dit ook, toen hij in de tram door de stad reed, en ontwikkelde vanuit dit inzicht de relativiteitstheorie.
Zornig had andere gedachten gehad, een andere theorie ontwikkeld en stond nu kort voor de laatste stap in de toepassing van die theorie.
De TGV arriveerde een paar minuten over vijf op het station van Marseille. Een vliegtuig was sneller geweest, maar vanwege de wachttijd tussen het inchecken en feitelijke vertrek, dankzij de busrit van de luchthaven naar het centrum, zou een vliegreis uiteindelijk meer tijd gekost hebben. Bovendien paste een lijnvlucht niet in zijn theorie en de toepassing daarvan.
Het was hartje zomer en broeierig warm in Marseille.
Hij liep tot diep in de nacht door de stad en liep uiteindelijk het politiebureau binnen.
Zornig identificeerde zich en vertelde zijn verhaal in zeer gebrekkig Frans, het Frans dat hij zich herinnerde van 35 jaar geleden, toen hij leerling was aan het gymnasium van Achterwolde.
Hij vertelde dat hij zijn partner kwijt was geraakt. Hij was even naar het toilet gegaan en toen hij terugkwam was ze verdwenen.
Spoorloos.
Urenlang had hij rondgezocht op de perrons, vervolgde hij, in alle hoeken van het stationsgebouw, in de omgeving van het station, op de route naar het stadcentrum.
Ze was nergens.
De agent die hem te woord had gestaan, haalde er een collega bij, een agent die wel Engels sprak en verstond.
Zornig vertelde zijn verhaal nog een keer, in vloeiend Engels.
Niet veel later rukte een peleton gendarmes uit, om de TGV en omgeving te doorzoeken, om SNCF-personeel van het bed te lichten en te ondervragen, om de reserveringslijst door te nemen, om contacten in het criminele circuit uit te horen.
Vijf dagen deed de gendarmerie alles wat in alle redelijkheid van de gendarmerie verwacht mocht worden. Zonder resultaat.
Zornig reisde terug per Air France, landde vroeg in de avond op een regenachtig Zaventem, reed per bus naar de parking voor langparkeerders. Hij reed in zijn nieuwe lease-auto naar Achterwolde, waar hij sinds kort, na al zijn omzwervingen weer woonde.
Zijn antwoordapparaat stond vol bezorgde berichten van familie en bekenden. De verdwijning van zijn partner was al dagenlang de opening van de televisie-journaals en voorpaginanieuws in de landelijke dagbladen.
Vanachter een kop koffie las Zornig de kranten van de afgelopen dagen. "Gendarmerie geeft de moed nog niet op", luidde de kop bovenaan de voorpagina van vandaag.
Jaja, dacht hij, ze moeten de moed daar in Marseille vooral niet opgeven, ze moeten daar blijven zoeken, grondig zoeken, niet opgeven, doorgaan.
Een aantal dagen voor de reis naar Marseille was Zornig met zijn parner uit Achterwolde vertrokken. Ze hadden afscheid genomen van familie en vrienden, zouden een aantal weken in hun tweede huis in België verblijven en ook een paar dagen naar Marseille en Cannes gaan.
Toen ze het dorp uit waren reed Zornig evenwel naar het noorden. Een verrassing voor je, zei hij droogjes tegen zijn partner.
Onderweg stopten ze alleen om te tanken en te eten. Zornig gebruikte zijn tankpas niet, zijn creditcard niet en hij rekende alles met contanten af.
Na een reis van twee dagen stonden ze aan de rand van een steile afgrond, de plek waar Zornig met haar naar toe had gewild: Geiranger Fjord.
Een klein zetje was genoeg, ze viel voorover, naar beneden, in het diepe, heel diepe water. Ze was al geen beste zwemmer, maar met kleren aan en een rugtas om, lukte het haar maar korte tijd om het hoofd boven water te houden. Ze hapte naar lucht, ze vergat te schreeuwen, ze hapte naar lucht maar hapte water, water dat haar longen vulde.
Bij een verdrinkingsdood daalt het lichaam naar de bodem, terwijl een lijk van iemand die anders is gestorven geruime tijd zal blijven drijven door de lucht in de longen. Mede door de kleren en de rugtas zou dit lijk snel de weg naar de bodem vinden, door gedierte worden opgegeten en in de loop van de jaren vergaan.
Zornig reed vervolgens naar België, parkeerde zijn auto op de parking voor langparkeerders, bij Zaventem, nam de bus naar het TGV station in Brussel en kocht daar twee kaartjes naar Marseille.

Hoofdstuk uit SCHULDIG

De weg naar Achterwolde

10 jun 2009, 22:07

Vanuit de Randstad rijdt hij altijd over de A12 richting Arnhem. Na Arnhem wijst de Tom-Tom een route aan via het Montferland en over provinciale wegen, maar het is sneller om de A12 te blijven volgen, Duitsland in. De snelweg heet daar ineens A3 en na een kilometer of twintig neemt Zornig de afslag Niederwald. De route over de B70 glooit door het Reichswald, langs een paar boerengehuchten en leidt bijna direct naar Achterwolde.
Achterwolde, parel van het oosten. En als je, zoals Zornig, vanuit het oosten de gemeente binnenrijdt, zie je meteen waaraan Achterwolde deze eretitel heeft verdiend. Het laatste stukje onontgonnen Nederland schuift langs de zijruiten voorbij. Rustieke beekjes kronkelen door de bossen en langs landerijen. Hier en daar staan boerderijen midden in het land of aan de bosrand, maar nooit langs de weg.
In de buurtschap Bovenwolde, ongeveer halverwege de Duitse grens en de grens van het kerndorp, schenkt men in café Binnentuin de lekkerste koffie van heel Nederland, geserveerd met handgeklopte room en appeltaart die de naam Apfelkuchen verdient. Als Achterwolde de parel van het oosten is, dan is Bovenwolde een verborgen schat: een plein met een paar dorpswinkels, een school en een kerkje en een paar korte zijstraten met tot luxe villa’s omgebouwde dorpsboerderijen. De gebouwen van de coöperatieve boerenbond goed verstopt achter een bomenrij aan de westkant van het gehucht. In de verte zie je landgoed Hoog Wolde liggen, waar vandaan ooit de herenboer regeerde over de hele streek.
Wie hier nog nooit is geweest, zal niet geloven dat een buurtschap als Bovenwolde anno nu nog bestaat. Op doordeweekse ochtenden klinken kinderstemmen uit het raam van de school aan het dorpsplein; christelijke liedjes, want het is een school met de bijbel. De bakker, die ook kruidenier is, notaris en dominee, bezorgt de boodschappen aan huis en maakt bij al zijn klanten een praatje over de dingen die zijn klandizie wil horen, roddel en achterklap. De straatveger komt hier dagelijks en dan niet met een mechanische veger, maar met een bezem en een bakfiets. Er ligt hier nooit vuilnis op straat.
Café Binnentuin opent de deuren steevast om elf uur, behalve op zondag. Het interieur met veel eikenhout en glimmend koper past naadloos bij het boerenbont servies, het uitzicht op het pleintje en de geur van koffie en sigaren. Om kwart over elf komen de mannelijke pensioentrekkers hier samen om te discussiëren over het boerenbedrijf van vroeger toen alles beter was, om vast te stellen dat het bestuur van Achterwolde weer niets begrijpt van waar het met de gemeente naar toe moet, om te zwijgen bij dat noodzakelijke kopje koffie met twee klontjes suiker en een cupje melk, in afwachting van de eerste borrel om tien over half twaalf.
Vanuit Bovenwolde is het niet ver meer naar Achterwolde. Er is aan het einde van de vorige eeuw een rondweg aangelegd, zodat de Duitsers die al sinds de vijftiger jaren op zaterdag naar Achterwolde komen om boodschappen te doen, op de rotonde de eerste afslag kunnen nemen naar het Einkaufzentrum Westfalen en niet door de smalle straatjes van het oude dorpscentrum hun weg moeten zoeken naar parkeerplaatsen bij supermarkten, sigaretten-shops, poeliers en andere detailhandelaren. De derde afslag op de rotonde leidt naar Achterwolde-West en naar Wolderveen. Vanwege Achterwolde-West en Wolderveen rijd Zornig nooit via het Montferland naar Achterwolde. In Achterwolde-West is het bedrijfsleven geconcentreerd, Philips heeft er een lampenfabriek, Sorbo maakt er afwasborstels, er worden combi-ketels, pre-fab houten tuinhuisjes en autonavigatiesystemen gemaakt, er is daar werk voor ongeveer zevenduizend mannen en vrouwen. Wolderveen is een getto voor Turken en Marokkanen, die ooit naar Nederland zijn gehaald om het tekort aan arbeidskrachten in de textielindustrie op te vullen en die nu even werk- en kansloos zijn als hun kinderen. Kinderen die gedwee naar school zijn gegaan, een vak hebben geleerd en nooit een baan hebben gekregen.
Rechtdoor, dat wil zeggen de tweede afslag op de rotonde: Achterwolde-Centrum. Om op het marktplein te komen, moet je nog een stukje van de binnenring nemen, langs het Regionaal Opleidingscentrum ROC Wolde, langs de tot appartementencomplex omgebouwde textielfabriek Willink en langs het grootste filiaal van kinderopvangorganisatie debinnentuinen.nl, gevestigd in het voormalige gemeentearchief aan de Marktstraat.
Midden op het Marktplein staat de imposante Johannes-Kerk, met een vijftig meter hoge toren en een fenomenaal orgel. Op woensdagen is er markt, de overige dagen zijn er licht, lucht en leegte op het plein. Rondom de kerk versieren de klassieke gevels van restaurants, kroegen, het kantoor van De Achterwolder Courant en hotel Stadt Münster de randen van het Marktplein.

Zornig had een kamer gereserveerd in het hotel aan het plein. Maaike Meijerink, vrouw van de eigenaar en gastvrouw ontving hem, zoals alle gasten allerhartelijkst. De rondborstige kwebbeltante vond het kennelijk erg plezierig om iedere gast in haar hotel te mogen begroeten en nam er de tijd voor om Zornig van alles te vertellen over het dorp en het hotel, over de prachtige natuur in de omgeving en de archeologische vondsten die in de steengroeven aan de Duitse grens waren gedaan. Zij wilde er graag persoonlijk op toezien dat het hem tijdens zijn verblijf in Achterwolde aan niets zou ontbreken, was graag bereid zelf het ontbijt op de kamer te serveren en wist ook alles van wijnen en kon hem dus adviseren als Zornig wijn zou willen drinken bij het diner. Vanwege het diner moest hij weten dat dat om zeven uur ’s avonds werd geserveerd, tenzij hij à la carte wilde eten.
Maaike ging hem voor, om de weg te wijzen naar zijn kamer. Van achteren zag zij er nog vormelozer uit dan van voren, als een Michelin-vrouwtje met sluike haren en een te korte rok. Ze rook naar een overdosis Channel No. 5 en haar stem klonk als een vals gestemde viool. In de lift naar de tweede verdieping keek ze Zornig zwijgend aan, met haar lichtblauwe ogen. Zonder bijna enige uitzondering zwijgen mensen in liften. Hij ook. De Channel werkte bovendien bedwelmend.
Zijn kamer heeft uitzicht op het Marktplein. Maaike, hij moest haar toch vooral bij de voornaam noemen, liet hem nog de mini-bar zien en de kast waar extra dekens lagen voor eventueel koude nachten. Toen de gastvrouw de deur eindelijk achter zich had dichtgetrokken, liet Zornig zich met een zucht achterover op het bed vallen. Aan het plafond hangt een kristallen kroonluchter, die sprankelend licht door de kamer strooit. Zwevende lampjes, dwarrelende lichtjes, dansende elfjes, vallende sterren. Hij sliep binnen een paar minuten.

Midden in de nacht werd Zornig wakker, wakker uit een droom die geen droom was. Meijerink, Gerard Meijerink, de oudere broer van Maaike; hij was patrouille-leider geweest bij scouting-club Germania. Er waren twee scouting-clubs geweest, toen Zornig jong was; er was een katoholieke club (Sint Josef) en er was de algemene club (Germania), onder leiding van hopman Grobbels. De jongens van Germania gaven nogal af op de watjes van Sint Josef, watjes die misdienaren waren en monnik wilden worden. De ploeg van Grobbels was stoer en sterk, bestond uit mannen die de oorlag hadden kunnen winnen. Grobbels zelf had één letter in zijn naam laten veranderen en niet omdat hij zich schaamde voor zijn oom; hij wilde werken en was hoofd van de sociale dienst in Achterwolde.
Zornig had gedroomd, hij was nog welp, gids met twee gele banden en heel veel insignes, voorbeeld voor de welpen-horde. En als voorbeeld, om zijn prestaties mocht hij mee, mee op verkennerskamp naar Epe. Het was mooi daar, in het bos. Ze hadden hutten gebouwd, voor de ingang van hun hut gegeten en Zornig was trots, omdat hij erbij mocht zijn. Grobbels kwam ook kijken, Gerard en zijn patrouille sprongen in de houding en Zornig deed braaf mee.
In zijn droom beleefde Zornig de nacht, zijn eerste nacht als welpje tussen de verkenners. Hij lag in zijn pyjama, in een slaapzak, lag eerder in de hut dan de echte verkenners, hij viel in slaap, voldaan na een mooie dag, enerverende dag, prachtige dag die hij als welp temidden van die grote mannen had mogen meemaken. Zornig werd wakker van de rits, de rits van de slaapzak, de rits die in volle vaart werd geopend.
“Doe je pyjama uit”, fluisterde Gerard. “Ik wil zien of je echt bij ons hoort!”
Gerard nam het welpje in zijn handen, om van het welpje een grote wolf te maken. Zornig herinnerde zich hoe zijn kleine piemel en echte pik was, hij herinnerde zich ook hoe enorm de fallus van Gerard was, fier rechtop staande als de toren van de kerktoren op de markt in Achterwolde. De kerktoren werd een fontein, het welpje werd ontmaagd.
Grobbels begreep niet, dat Zornig de volgende ochtend melddedat hij naar huis wilde.
“Je bent toch geen Mama´s kindje? Ik had begrepen dat jij het rolmodel voor al die andere kut-welpen was, dat jij een echte welp bent, ooit een echte verkenner gaat worden! Je blijft! Geen gelul. Gerard zal op je letten en voor je zorgen!”
Drie nachten zorgde Gerard voor Zornig, liet Zornig kerktorens spuiten, spoot hij in het klein en in de hoop dat zijn eruptie hem rust zou geven, werd hij vanachter genomen door de patrouilleleider naar wie hij zo lange tijd had opgekeken.
Zornig had na die week nooit meer zijn welpenpak gedragen, was nooit meer naar de wekelijkse scouting-bijeenkomsten gegaan. Terwijl zijn ouders dachten dat hij in het padvindershonk was, zwierf Zornig op de zaterdagmiddag over de markt, tussen al die Duitsers die er hun boodschappen deden.

maandag 12 juli 2010

over VERSCHEURD / Paul Zornig


Verscheurd, samengevat: Wat er op 11 september 2001 gebeurde

Paul Zornig - Verscheurd Op 11 september 2001 om kwart voor zeven in de ochtend werd mijn dochter geboren & enkele uren later werd de wereld op een gruwelijke wijze in haar betrekkelijke rust gestoord door de aanslagen op de Twin Towers van het WTC en het Pentagon (+ een mislukte aanslag op een doel vermoedelijk te Washington D. C.). De coïncidentie waarvan hier sprake lijkt, strookt niet met mijn motto toeval bestaat niet en heeft mij wellicht het laatste duwtje in de rug gegeven om deze roman te schrijven. En als er dan in werkelijkheid op 11 september 2001 toch al zulk tegenstrijdige gebeurtenissen plaatsvinden, biedt die dag, die datum mij het decor om nog meer stukjes geschiedenis, die ogenschijnlijk niet samenhangen, te laten versmelten in één roman, mijn verhaal.

Waarom historische uitvluchten

Zoals het leven van mijn dochter begint met de zelfmoordaanslag door Mohammed Atta en zijn 18 compagnons, met de dood van vele onschuldige bewoners van de Twin Towers en vanaf haar wieg mede zal worden gestuurd door vrees voor hoofddoekjes en bomaanslagen, zo was ik al voor ik geboren was, bang voor het rode gevaar en ben ik altijd gefascineerd gebleven door alle ellende die het Nazi-regime heeft veroorzaakt (uiteraard voor en tijdens de tweede wereldoorlog, en voor mij persoonlijk) in de decennia na de oorlog.

De doden van de Twin Towers en de plegers van de aanslag op het WTC zijn allen slachtoffer van het feit dat de wereld na alle gruwelijkheden van de periode 1933-1945 alleen maar meer verscheurd is geraakt.
Zonder onze geschiedenis was deze roman niet geschreven, of had een ander begin en een ander einde gehad.

Tegelijkertijd in …

… het dorp, de stad, de omgeving … wandelt de ik-figuur door het leven, zoals het leven is en hem overkomt. De auteur vertelt zijn verhaal, fragmenten uit het leven van een mens die niet meer is dan een stofje dat voortgeblazen wordt door de wind die geschiedenis heet; geschiedenis die op haar beurt slechts een fractal is en zich alsmaar herhaalt in steeds verfijnder details.

Verscheurd vertelt het levensverhaal van de ik-figuur vanaf zijn vroege jeugd in het dorp Achterwolde, vlakbij de Nederlands-Duitse grens, waar ‘s zaterdags onze oosterburen hun boodschappen doen en onze winkels leegkopen, tot en met de gebeurtenissen op 11 september en kort daarna. Hoewel historische gebeurtenissen bij wijze van een spoorboekje de weg wijzen en het leven bepalen, gaat het in Verscheurd vooral om kleine dingen in het leven, zoals de geur van doodgekookte bloemkool met een maïzenasausje en halfgare aardappelen, de nagesynchroniseerde kinderseries op de Duitse televisie in een tijd waarin de Nederlandse televisie niet meer dan enkele uren per dag op één net en alleen voor volwassenen uitzendt, kamperen op een camping vlakbij de Noordzee, de vroegste bouwfraude in het begin van de zestiger jaren, de angst voor het communisme, de weerzin tegen de Duitsers, de eerste gastarbeiders en de failliete tekstielfabrieken, een niet herkende liefde, de verkering met het verkeerde meisje, een schoolreis naar Berlijn, studeren in Groningen, een toevallige ontmoeting in Leningrad (USSR), de jaarwisseling in Seelenau (DDR), de verkeerde vriendinnen in Groningen en later de verkeerde vrouw in Amersfoort en Leusden, nog een aantal bezoeken aan Seelenau, de 1 mei viering in Berlin-Hauptstadt der DDR, de miskenning door onderwijsambtenaren en politici, de echtgenote die zwanger is en de ik-figuur die geen kinderen wil, van haar, de val van de muur en de indirect daaruit voortvloeiende zelfmoord, het einde van de illusie die Seelenau uiteindelijk bleek te zijn, de dood van de schoonvader, het chatten op het internet, bezoek van een echte vriendin uit de voormalige DDR, de scheiding, de beëindiging van het huwelijk, de kinderen en het schuldgevoel, de afpersing via een scheidingsbemiddelaar, zijn laatste reizen naar Duitsland en 11 september 2001.
====================================
Bestellen?
Kan alleen via: RJ.Bloem@Gmail.com