dinsdag 13 juli 2010

Carpaccio & Chanel No 5

Carpaccio

Zornig had de kunst geleerd van Roberto Fiori, de Italiaanse chefkok van Restaurant Lute in de oude kruitfabriek vlak buiten Oudekerk aan de Amstel. Lute, een leuk restaurant met een geweldige keuken, vele Michelin-sterren waardig. Zornig had er vaker gegeten, zoals die keer met die stewardess van KLM, die geheel verstrikt was geraakt in een relatie met Hans. Hans die nota bene nog getrouwd was en een dubbelleven leidde. En later met Willem, een van de directeuren van ´s lands grootste detacheerder, om een nieuwe collega aan Zornig voor te stellen, in de hoop dat die man via Zornig meer zaken zou gaan doen.
Fiori had het voorgedaan, het kon met rundvlees, gerookte hammen en zelfs met een mousse van zalm. Voorwaarde was dat wat Fiori het materiaal noemde, goed ingevroren was. En verder was een scherp, gestaald, electrisch cirkel-mes onontbeerlijk. Het was de enige manier om het materiaal zo dun te snijden, dat je het carpaccio mocht noemen.
Zornig had gedaan wat Fiori had gezegd. Hij had de beste stukken ontbeend en gerookt boven een vuur van pijnboomhout, gemarineerd in een saus met dille en organo, de duurste olijfolie en een beetje mosterd. Het waren mooie hompen vlees, die hij na het marineren in de vriezer had gelegd.
Het cirkel-mes, waarmee we slagers in hun winkels plakjes broodbeleg zien snijden, stond nu in een extreme stand; dunner snijden was niet mogelijk.
Zornig sneed prachtig dunne plakjes van het diepgevroren vlees en legde ze op folie; niet meer dan één plakje op één stuk folie. Hij was er nog wel even mee bezig, er was genoeg voor een kerstdiner voor alle gasten van het Hilton.
Het grootste gedeelte van de nog steeds bevroren carpaccio legde hij weer in de vriezer, keurig in een doos. De plakjes die hij voor de maaltijd van vanavond nodig had, zette hij op een schaal in de koelkast, opdat het daar langzaam kon ontdooien.
Frank was een beetje een triest figuur. Hij had eindelijk na vele liefdes en een mislukt huwelijk de liefde van zijn leven gevonden: Heleen. Heleen was geweldig, prachtig, erudiet, intelligent, lief, warm, ze was een prinses, het mooiste dat een mens, een man kon overkomen. Ze waren zo gelukkig samen, Heleen en Frank, Frank en Heleen. Ze straalden, ze straalden samen, ze straalden ieder voor zich.
Op een dag had Heleen de trein naar Achterwolde genomen, naar Achterwolde om daar onderzoek te doen voor het manuscript van haar volgende roman “Dwaallicht”. Achterwolde, omdat haar ouders daar hadden gewoond, haar moeder er nog steeds in een dorp vlakbij Achterwolde woonde.
Heleen was nooit teruggekomen uit Achterwolde.
Ondanks de inzet van het complete rechercheteam van de politie van Gelderland-Oost, ondanks de zoektochten die in het Vragenderveen waren georganiseerd en ondanks de betrokkenheid van de lokale bevolking, werd Heleen noch haar eventuele stoffelijk overschot teruggevonden.
Op een dag had Frank contact gezocht met Zornig, Frank had hem gebeld.
“Jij kende Heleen toch! Jij las alles wat ze schreef, jij wist wat ze dacht!” had Frank in de telefoon geschreeuwd.
“Nou ja,” zei Zornig. “Ze heeft me weleens iets laten lezen, een paar teksten. Nu je het zegt, er was een tekst die over moord gaat, over ene Ben, een krankzinnige, die haar voicemail heeft ingesproken en haar de meest vreselijke dingen heeft aangekondigd.”
Frank wilde die teksten wel lezen en daarom had Zornig de verdrietige vriend van zijn schrijf-vriendin uitgenodigd om te komen eten. Na het eten zou Zornig printjes van alle mails, van alle tekstdocumenten laten lezen, die hij ooit van Heleen had gelezen.
Zornig hield van koken en was blij dat eriemand bij hem kwam eten.
Op het menu stonden carpaccio, salade met tonijn, zwijnbiefstuk met aardappelpurée en cranberriescompote.
Zornig zag hoe Frank smulde van eindelijk weer lekker eten, eindelijk eten met iemand met wie hij iets deelde, zijn verdriet kon delen.
Bij de koffie las Frank alle mails, alle documenten die Zornig in al die tijd van Heleen had ontvangen. Zornig was een nauwkeurig en opgeruimd mens. Hij had een map voor iedere internet-contact, een map waarin hij alle correspondentie bewaarde.
Frank was vele uren aan het lezen.
“Dus je was blij dat ze mij leerde kennen? Was je niet jaloers?” vroeg hij.
Zornig lachte innemend.
“Ik ben een Einzelgänger, dat weet ik, dat weten de mensen die mij kennen. Ik ben blij als andere mensen gelukkig zijn, als zij (zoals Heleen) een partner vinden. Hooguit heb ik wat moeite als ik, nadat zo´n nieuwe partner in beeld is gekomen, ineens niet meer lijk te bestaan. Maar ook daar pas ik welweer een mouw aan.”
Zornig schonk nog een glaasje sambuca in.
“Er staat helemaal niets in, in al die documenten, waaruit blijkt waarom Achterwolde gevaarlijk zou kunnen zijn geweest, gevaarlijk voor haar, voor Heleen!” zie Frank.
Zornig moest dat bevestigen. Hij had zelf alles tot iedere punt en komma nauwkeurig gelezen. Er was geen enkele aanwijzing.
Frank ging laat weg, te laat en met waarschijnlijk teveel drank in zijn lichaam. Hij moest nog helemaal terug naar huis, naar zijn dorp onder de rook van Amsterdam, hun dorp, het huis waar hij zo gelukkig met Heleen was geweest.
“Als dat maar goed gaat,” dacht Zornig nog.
Zornig liep naar de schuur, het tuinhuis achter in de tuin. Hij deed de deur van het slot, de deur open het licht aan. In de schuur stond nog een grote vrieskist. Er zat een hangslot op de vrieskist.
Zornig graaide naar de sleutelbos in zijn broekzak, deed het slot open, het deksel van de kist omhoog.
Daar lag het materiaal. Ze miste één been. En een hap van haar rug, maar dat laatste kon je niet zien.


Chanel No 5

Frank knielde en boog zich over het lijk. Het hoofd was er half afgehakt, lag in een grote plas bloed. Hij keek op zijn horloge, het was kort na acht uur.
Eerder die dag had ik Frank uit Oudekerk opgehaald en waren we samen naar Achterwolde gereden. Voor de zoveelste keer sinds Heleen, de vriendin van Frank, plotseling en spoorloos was verdwenen.
Achterwolde, het meest oostelijk gelegen dorp in Nederland, het dorp waar ik geboren en getogen ben, het dorp waar ik met weerzin aan terug denk, vanwege de bekrompenheid, het boerse, het achterlijke. De tijd lijkt in Achterwolde te hebben stilgestaan, de klok tikt er nog net zo langzaam als in de jaren vijftig, de kredietcrisis zal nooit in dat dorp toeslaan, zolang de Duitsers er iedere zaterdag de supermarkten leegkopen en er maar een paar keer per dag een trein naar de boze buitenwereld vertrekt.
Frank was verliefd geweest op Heleen, dodelijk verliefd. Hij was gek op haar geweest, hij had alles voor haar gedaan. Hij was nog steeds verliefd, hij was nog steeds gek op haar, hij zou zo graag alles voor haar doen. ´s Nachts dacht hij aan haar, schreef hij gedichten voor haar; slapen deed hij pas in de tweede helft van de nacht, als de vroegste werkers alweer gewekt werden door hun wekkers.
De laatste kilometers van onze tocht naar Achterwolde zaten we zwijgend naast elkaar. Mijn maag draaide zich om bij de gedachte aan doodgekookte bloemkool en glazige aardappelen met veel te vette jus. De warme maaltijd wordt er tussen de middag gegeten. Dat hoorde toen zo, dus hoort dat nog steeds zo. Suskind´s Parfum drong zich op in mijn gedachten. Geuren roepen herinneringen op. Zoals de geur van Chanel No 5 mij nog steeds herinnert aan die studente die mij in 1979 het hoofd op hol bracht, die ik nooit meer uit het diepste van mijn geheugen heb kunnen wissen, voor wie ik alles had willen doen.
Heleen had ook Chanel No 5 gedragen, toen ik haar voor het eerst ontmoette, bij de presentatie van haar eerste roman.
Ik parkeerde mijn auto op de parkeerplaats achter Hotel Stadt Münster, midden in het dorp.
“Koffie?” vroeg ik.
Op de tafeltjes in het restaurant liggen hoogpolige tafelkleedjes, kleine tapijtjes die ruiken naar stof en de as van sigaretten; nog steeds, ondanks het rookverbod.
“Ik wil naar het huis waar haar moeder heeft gewoond. Ik wil daar rondkijken, niet alleen buiten, ook binnen. Er moet daar iets zijn, iets wat zij zocht, iets wat mij een aanwijzing zal geven. Een aanwijzing waarom zij is verdwenen, waar zij is gebleven, wat er is gebeurd,” zei Frank.
Zwijgend roerde ik mijn suiker door de koffie, geurige koffie, van Hesselink. de lokale koffiebrander.
We liepen vanuit het centrum door de Ratumsestraat naar de Wilhelminastraat. Daar was het huis, een statig gepleisterd en witgeschilderd pand, met donkergroene kozijnen, de gordijnen gesloten alsof daarbinnen iets was dat het daglicht niet kon verdragen.
Het was middag, nog licht en Frank scheen niet het lef te hebben om de tuin in te gaan, om het huis heen te lopen, om te zien of we wellicht aan de achterzijde een raam vonden waar de gordijnen niet geheel gesloten waren, en waardoor we naar binnen zouden kunnen gluren.
“Later. Straks als het gaat schemeren, dan komen we terug.”
Zijn stem klonk onheilspellend, hees door zijn droge keel.
In de snackbar aan het einde van de straat, bestelden we frites en kroketten. De frites was te zout en de kroketten waren slap. Net als de bloemkool, dacht ik, ze kunnen hier ook niets goed bereiden.
In het schemerduister liepen we terug. Er hing een koude mist en mijn neus begon te lopen. Ik nam mijn zakdoek, ik snoot mijn neus.
“Wees toch stil,” beet Frank mij toe, alsof het verdacht was om wandelend over het trottoir de neus te snuiten.
Hij keek drie keer in het rond en liep vervolgens het tuinpad op. Ik volgde hem, nonchalant, wetend dat er niets te vinden zou zijn dat hem zou helpen het mysterie rondom de verdwijning van zijn vriendin op te lossen.
Ook aan de achterkant van het huis waren de gordijnen achter de vensters zorgvuldig gesloten.
Frank vloekte binnensmonds.
Ik bekeek hem, deze trieste figuur, met die intens verdrietige blik in de ogen.
Voor hij Heleen had ontmoet was hij Hollands welvaren geweest, gezond van lijf en leden, stralend en sterk. Daar was nu niets meer van over, hij was mager geworden en oogde grauw.
Dan had je maar met een wijde boog om haar heen moeten lopen, dacht ik voor de zoveelste keer.
Ik tilde de zinken vuilnis emmer, die naast de achterdeur stond, op en haalde er een sleutel onder vandaan.
“Hoe, hoe wist je dat daar ...,” stamelde Frank.
“Dit is Achterwolde, hier ligt bij iedereen een sleutel onder de vuilnisbak, of onder de mat, of op een andere meestal zeer voorspelbare verstopplek,” viel ik hem in de rede.
Ik deed de deur van het slot en we stapten naar binnen. Het rook er muf, ik rook nog steeds de resten van bloemkoolgeur die zo onlosmakelijk verbonden was aan mijn leven Achterwolde. Er was hier overduidelijk in geen tijden een raam open geweest, er was hier maandenlang niet gelucht.
Het was er aarde donker. Gelukkig hadden we beiden een zaklamp bij ons.
Frank liep door de kamer en suite, keek in alle hoeken, opende kasten en de laden van het dressoir. Hij graaide, in wilde haast, tussen papieren en snuisterijen.
Ondertussen rookte ik een sigaret en keek ik hem gelaten toe. Wat hij ook zocht, hij zou het niet vinden. Niet hier in dit huis.
We gingen de trap op, naar de eerste verdieping. Eén voor één doorzocht Frank de slaapkamers, terwijl ik de studeerkamer rondkeek. Aan de muur hingen allerlei herinneringen aan het vroegere Nederlandsch Indië. Onder andere wajangpoppen en maskers. Ik herinnerde me ineens weer dat Heleen mij ooit verteld had dat haar moeder in Indië was geboren, dat haar grootouders de nodige souveniers hadden meegenomen uit wat ooit een Nederlandse kolonie was.
Op het bureau stond een flesje Chanel No 5. Kennelijk was Heleen hier geweest en had ze dat flesje hier laten staan. Ik pakte het flesje, ontdeed het van de dop en verstoof een klein beetje van het parfum op mijn linkerpols.
Hoe bedwelmend lekker, dacht ik.
Ik hoorde Frank de kamer binnenkomen, ik keek niet om en ik zag dus niet hoe hij de kris die tussen de maskers hing, van de muur pakte. Ik genoot alleen maar van de betoverende geur van het parfum.
Frank stond vlak achter me en haalde verwoestend uit, als een tennisser met een dodelijke forhand, hakte hij in de zijkant van mijn nek, dwars door mijn halsslagader tot diep in het bot.
“Moordenaar, ik wist het!!!” was het laatste wat ik hoorde.
Ik stortte ter aarde en bloedde in rap tempo leeg.
Frank knielde en boog zich over het lijk. Het hoofd was er half afgehakt, lag in een grote plas bloed. Hij keek op zijn horloge, het was kort na acht uur.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen