maandag 19 juli 2010

Het doden van mannelijke ego´s

Uit: Schuldig - Paul Zorning (c) 2010

Hester´s hersentumor bleek terminaal, bevrijdde hem, verloste hem van haar, haar voortdurende aanwezigheid, haar opdringerigheid, haar betweterig gedrag jegens hem (dat nergens op gestoeld was, want hij was veel slimmer, had meer kennis dan zij; sterker nog, hij had haar betrekkelijk dom gevonden en hij had bovendien slechts zelden iemand ontmoet die zich enigzins met hem had kunnen meten).
Vrouwen verstaan, bijna zonder enige uitzondering de kunst om mannelijke ego´s te doden. Ze ontnemen in het leven van alledag, in het samenleven onder één dak hun mannen alle kans om te winnen.
Vrouwen koken voor de man, ze maken de bedden op, ze stoffen en ze zuigen, ze doen de was, ze strijken zijn overhemden en de doen de boodschappen. Ze doen dat niet, vooral niet omdat zij al dat huishoudelijk gedoe leuk vinden, maar omdat hij, hun man, de vaardigheden ontbeert om zulk eenvoudig werk naar behoren uit te voeren.
En hij, hun man, moet veelvuldig, onophoudelijk horen hoe onbekwaam hij is, tot niets in staat; tot hij zich op enig moment overgeeft en, volledig geïndoctrineerd, haar commando´s zonder enig protest uitvoert, keurig in het gelid naast haar door winkelstraten slentert om te shoppen, doelloos te winkelen en teveel geld uit te geven aan zaken die zij geen van beiden werkelijk nodig hebben, met háár boodschappenlijstje naar de supermarkt gaat (omdat hij steevast met het verkeerde maandverband en de verkeerde ontharingscrème thuiskwam), de door haar voorgesorteerde was doet (op iedere stapel ligt een briefje met wasvoorschriften, de temperatuur, het programma, het wasmiddel).
Strijken blijft zij zelf doen, omdat hij dat echt niet kan; net als het vouwen van de handdoeken. Handdoeken vouwen doen alle vrouwen anders, ze doen het op de manier zoals hun moeder het hen geleerd heeft en die vooral afhankelijk was en is van de maten van de kast, waarin de handdoeken moeten worden opgeborgen.
Strijken doet zij óók om hem het gevoel te geven dat hij echt niet zonder haar kan. Zoals ze ook de keuken en het fornuis nog een keer schoonmaakt, hetgeen hij al had gedaan na het bereiden van een geweldige maaltijd, maar niet goed genoeg; nooit goed genoeg.
Nienke, de vrouw met wie Zorning een relatie had gehad na zijn huwelijk met Stella, was de ergste aller vrouwen: een weerzinwekkende sublimatie van het ergerlijke der vrouwheid.
Tijdens hun vakantie in de Dominicaanse Republiekwees Zornig op een palm die het zonlicht op een wonderschone wijze weerkaatste, gloeiend groen.
“Je mag niet wijzen,” bitste ze, “dat is onfatsoenlijk.”
Vrouwen huren hun moeder in als stand-in, om lieve woordjes te zeggen, om complimenten uit te delen, hun bewondering in alle mogelijke toonaarden uit te spreken, om hun schoonzoon te paaien, hem aan de schoonfamilie te hechten, met lijm waarbij zelfs de sterkste krachtlijm volledig in het niet valt.
Schoonmoeders als placebo: alle niet ontwrichte huwelijken, alle huwelijke die niet in een verdrietige, pijnlijke, kostbare scheiding zijn ontbonden, bewijzen dat het placebo in hetzelfde effect heeft geresulteerd als het werkelijke medicijn zou hebben gedaan.
En schoonmoeder heeft alle tijd om haar stand-in functie te vervullen, want schoonpa loopt al sinds mensenheugenis in het gelid.
Zornig´s eigen vader had ook in het gelid gelopen, inmiddels meer dan zestig jaar. Zijn schoondochters vonden hem stuk voor stuk een aardige man, een lieve man en vooral een zielige man. Een mening die nauwelijks afweek van wat die schoondochters over hun eigen vader dachten. Het is niet onmogelijk dat mannen gedoemd zijn om door hun dochters en schoondochters als zielige, oude mannen te worden bestempeld.
Zornig vond zijn vader ook zielig, hij vond dat al veertig jaar. Hij herinnerde zich dat hij ooit, lang geleden een gesprek daarover begon met zijn oudere zus. Het was op een zaterdag, wist Zornig; hij droeg zijn groene welpenuniform, zijn scouting-tenue en had juist enkele sigaretten ontvreemd uit de dressoirlade: Arsenal van zijn moeder, Cabellero van zijn vader.
“Waarom blijven papa en mama eigenlijk bij elkaar?” vroeg Zornig aan zijn vijf-en-een half jaar oudere en evenzoveel dommere zus.
“Omdat het zo hoort. Je trouwt om bij elkaar te blijven.”
“Maar ze zijn helemaal niet gelukkig. Ze praten niet met elkaar. Ze praten trouwens ook niet met ons!”
“O, dat komt nog wel, broertje. Met mij praten ze heel veel en ik weet zeker dat ze ook heel veel met elkaar praten; alleen hoor jij dat niet!”
“Ik hóór ze wel, maar ze zeggen niets; niets behalve over het weer, over de buren, over dat het brood van bakkerij Venenkamp toch lekkerder is en over andere onbetekenende zaken. En verder maken ze ruzie over van alles, zoals dat de tafel niet goed gedekt is. Papa legt het bestek altijd verkeerd neer, omdat hij linkshandig is. Het heeft geen zin om daarover iedere dag opnieuw ruzie te maken. Ik ga nooit trouwen. Ik weet ´t zeker!”
De toekomst die inmiddels alweer geschiedenis is, zou uitwijzen dat Zornig, die het meestal wel bij het rechte eind had, er met deze voorspelling volledig naast zat.
Zornig stapte op zijn fiets, de sigaretten veilig in een sigarettenkoker in zijn broekzak, op weg naar de padvindersbijeenkomst. Het zou een van de laatste bijeenkomsten zijn, waaraan hij zou deelnemen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten